‘Gatekeepers’ obstakel voor onderzoek onder niet-westerse jongeren

In achtergronden door Roemer van Oordt op 01-04-2015 | 14:50

Door: Roemer van Oordt

Het is moeilijk om onderzoek te doen onder jongeren met hun roots elders, vooral als die niet-westers zijn. Dat geldt zeker voor moslimjongeren: de toegang tot die onderzoeksgroep is beperkt, al helemaal als het gaat over ‘gevoelige’ zaken als seksualiteit. Dat stelt Daphne van de Bongardt van de Universiteit Utrecht. Zij is één van de drijvende krachten achter Project STARS; het eerste grootschalige landelijke onderzoek naar de ontwikkeling van romantische relaties en seksualiteit onder jongeren tussen de 11 en 18 jaar. Op 17 april verdedigt zij haar hieruit voortgekomen proefschrift: “Developing adolescent sexuality in context: Relations with parents and peers.”

Project STARS
Hoe verloopt de relationele en seksuele ontwikkeling van jongeren tijdens de adolescentie? Welke verschillen zijn er in deze ontwikkeling tussen jongens en meisjes, jongeren met verschillende culturele achtergronden en jongeren van verschillende onderwijsniveaus? Welke rol spelen puberteit, persoonlijkheid, opvoeding, leeftijdgenoten en internetgebruik bij deze ontwikkeling? Op die vragen wilde Project STARS aan de hand van onder andere vier uitgebreide vragenrondes in twee jaar, diepte-interviews en groepsdiscussies antwoord krijgen.

Dat lukte niet over de gehele linie. Zo is culturele, etnische en religieuze diversiteit vaak ver te zoeken in onderzoek over seksualiteit onder jongeren. Dat bleek ook uit de omvangrijke literatuurstudie die Van de Bongardt met collega’s uit Utrecht en New York deed: ‘A meta-analysis of the relations between three types of peer norms and adolescent sexual behavior’ (Personality and Social Psychology Review, in press). Daarin namen ze 58 (al dan niet gepubliceerde) relevante studies naar seksueel gedrag van jongeren onder de loep, waarin in totaal 69.638 adolescenten uit 15 landen waren ondervraagd. Wat bleek: de meeste studies kwamen uit westerse landen en deze hadden vaak te kleine aantallen jongeren met een niet-westerse achtergrond om culturele verschillen in seksueel gedrag goed te kunnen onderzoeken.

Betrekken van niet-westerse participanten
In Project STARS had bijna 15% van de onderzoeksgroep (1.297 jongeren) een niet-westerse achtergrond. Hoewel een representatief percentage voor Nederland, was deze groep respondenten te klein en te divers om gegronde uitspraken te kunnen doen over culturele verschillen in relationele en seksuele ontwikkeling. Van de Bongardt en haar collega’s zijn actief op zoek geweest naar meer niet-westerse participanten, maar dat bleek lastig: “Scholen die meedoen (met name middelbare scholen) zijn bijna allemaal ‘wit’. Op gemengde scholen krijgen we vaker van directie of leerkrachten op voorhand al te horen dat ouders hun kinderen waarschijnlijk liever niet aan ons onderzoek mee laten doen. We weten niet zeker of dat ook daadwerkelijk zo is. Ik heb daar zo mijn twijfels over. Schooldirecties en leerkrachten treden hierdoor op als ‘gatekeepers’, intermediairs die volgens mij de deur vaak onterecht dichthouden en soms handelen vanuit bepaalde vooroordelen”.

“Maar ook bij een islamitisch huiswerkbegeleidingsproject hadden wij soortgelijke ervaringen. Tijdens het doornemen van de vragenlijst bleken thema’s als verliefdheid, verkering en ongesteldheid voor onze contactpersoon bij het instituut, één van de managers, al een brug te ver. Uit onze individuele benadering van moslimjongeren blijkt er juist wel interesse om te participeren. Ook bij de meer gemengde basisscholen die met Project STARS hebben meegedaan bleken ouders - die overigens zelf ook mee konden doen aan het onderzoek - vaak helemaal niet zo terughoudend als door sommige ‘gatekeepers’ wordt verondersteld. Bovendien konden vragen die om welke reden dan ook te intiem zijn of gevoelig liggen in de online vragenlijst worden overgeslagen. Juist door de input van participanten met een andere culturele achtergrond zien wij beter in hoeverre wij onderzoek al dan niet cultureel sensitief hebben opgezet en ook methodisch kunnen verbeteren”. 

Eerder onderzoek naar seksuele voorlichting op scholen leerde Van de Bongardt dat de door gebrek aan kennis bestaande vooroordelen onder docenten een op de doelgroep aansluitende aanpak nogal eens in de weg staan. Niet vreemd, want op lerarenopleidingen is er volgens haar nog altijd te weinig aandacht voor culturele diversiteit en seksualiteit, en mogelijk geldt dat ook voor andere pedagogische opleidingen en huisartsenopleidingen. Chronische ondervertegenwoordiging van culturele, etnische en religieuze diversiteit in wetenschappelijk onderzoek, niet alleen naar seksualiteit, maar ook naar opvoeding en ontwikkeling van kinderen en jongeren meer algemeen, draagt volgens Van de Bongardt bij aan een gebrek aan broodnodige kennis over overeenkomsten en verschillen tussen en binnen culturele groepen.

Oplossingen?
Zijn er oplossingen? Project STARS wordt dit jaar afgerond. Van de Bongardt wil in vervolgonderzoek, naast een meer individuele benadering, bewuster inzetten op een onderzoeksgroep waarin jongeren met bijvoorbeeld een Surinaamse en Marokkaanse achtergrond net zo sterk vertegenwoordigd zijn als ‘witte’ jongeren. Daarbij moet ook meer plaats worden ingeruimd voor de betekenis van intieme relaties voor jongeren met verschillende culturele achtergronden, waar en hoe zij potentiële partners vinden, en hoe zij hun partners en hun intieme relaties evalueren. Ook voor vragen over hoe en van wie zij leren wat "normaal" of goed is op het gebied van romantische relaties en seksualiteit, over culturele diversiteit daarin, en hoe daarmee om te gaan zal veel aandacht zijn.

Om op dergelijke vragen een ‘cultureel divers’ antwoord te krijgen, zullen Van de Bongardt en haar collega’s meer gaan inzetten op bruggenbouwers bij onder meer het jongerenwerk, moskeeën en sportclubs. Zij kunnen, anders dan ‘gatekeepers’, fungeren als informatieve sleutelfiguren richting jongeren en hun ouders, maar ook richting de onderzoekers. “Goed wetenschappelijk onderzoek doe je niet ‘naar’ mensen, maar ‘met’ mensen”, aldus Van de Bongardt. Voor dergelijk vervolgonderzoek zullen zij en haar collega’s de komende jaren een hoop bruggenbouwers nodig hebben.


Roemer van Oordt is redacteur van republiek Allochtonië. Meer van Roemer op dit weblog: hier



Project STARS werd gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek Seksualiteit (FWOS).

Geïnteresseerd om als school, organisatie, instelling, respondent of bruggenbouwer mee te doen aan vervolgonderzoek van Project STARS? Meldt dat via info@republiekallochtonie.nl of neem contact op met de onderzoekers van Project STARS (info@projectstars.nl).


Meer over seksualiteit op dit blog: hier en over opvoeding: hier

Volg Republiek Allochtonië op
twitter of like ons op facebook.  



Waardeert u ons vrijwilligerswerk? U kunt het laten blijken door een bijdrage over te maken op rekeningnummer NL12INGB0006026026 ten name van de stichting Allochtonenweblog te Amsterdam. Met een donatie van 5 euro zijn we al blij. Meer mag ook!  



 


Meer over cultuur, daphne van de bongardt, jongeren, moslimjongeren, niet-westers, onderzoek, project stars, roemer van oordt.

Delen:

Reageer




Reacties


Thijs van Bemmel - 01/04/2015 16:48

Gaaf stuk Roemer! Zal mijn best doen een paar bruggenbouwers te vinden boor het project. Groetjes