Opnieuw een hoop gedoe over moslimzendtijd

In opinie door Roemer van Oordt op 01-10-2012 | 11:11

Tekst: Roemer van Oordt

Op 19 september 2012 zou het Commissariaat voor de Media (CvM) een besluit nemen over het al dan niet toekennen van zendtijd op radio en televisie in het nieuwe jaar aan de Stichting Zendtijd Moslims (SZM). Tot januari 2013 worden de uitzendingen zonder directe inbreng vanuit georganiseerde moslimhoek verzorgd door de NTR. De beslissing over de aanvraag van de SZM is om niet nader toegelichte redenen uitgesteld. Inmiddels is de kamer wél al in rep en roer over ‘de toekomstige invloed van de Turkse overheid via de SZM op de publieke omroep in Nederland’. Opnieuw een hoop gedoe dus. Een korte terugblik in twee delen.

Sinds 1986 worden door verschillende partijen uitzendingen op radio en televisie verzorgd die gericht zijn op de moslimgemeenschap in Nederland. De Islamitische Omroep Stichting (IOS) deed dat onder bestaande omroepen, zoals de NOS. In het begin was de programmering vooral gericht op de eigen taal en cultuur van verschillende etnische minderheden, maar vanaf begin jaren negentig verschoof de focus naar een algemener aanbod. In 1993 hield de IOS op te bestaan en kreeg de Nederlandse Moslim Omroep (NMO) een eigen zendmachtiging.

NMO en NIO
De NMO was een werkstichting van de Nederlandse Moslim Raad (NMR), een landelijke koepel van islamitische organisaties die vooral kleinere moslimgemeenschappen van onder andere Surinamers, Indonesiërs, Bosniërs en Eritreërs vertegenwoordigde. De omroep zond uit in het Nederlands, Arabisch en Turks. De inhoudelijke nadruk lag in het begin vooral op de emancipatie en participatie van moslims in Nederland. Later kregen thema’s als dialoog en maatschappelijke relaties tussen moslims en niet-moslims en de positie en rol van moslims in de Nederlandse samenleving meer aandacht. Ook wilde de NMO ‘de verschillen en overeenkomsten in opvattingen binnen de islam en zijn verschillende stromingen zo breed en gebalanceerd mogelijk tot uitdrukking brengen’.

Ondanks dat streven bleek een groot aantal moslimorganisaties zich niet vertegenwoordigd te voelen. Het Commissariaat voor de Media (CvM) zag zich eind 2004 voor de nieuwe zendtijdperiode dan ook geconfronteerd met twee aanvragers die op basis van onderzoek allebei aan de in de mediawet vastgelegde representativiteiteis voldeden. Getalsmatig was het net opgestarte Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO) - toen nog vooral gedragen door de grote soennitische koepels van Marokkanen en Turken - verreweg de grootste, maar de Contactgroep Islam (waarin de NMR zitting had genomen) vertegenwoordigde de meeste substromingen binnen de islam.

Op basis van hetzelfde onderzoek concludeerde het CvM tegelijkertijd dat er geen onoverbrugbare religieuze tegenstellingen tussen deze partijen bestonden en dat daarom alle substromingen binnen de islam ‘vertegenwoordigd moesten zijn’ in de aanvraag. Als verklaard tegenstander van ‘versnippering van zendtijd’ bepaalde het CvM in maart 2005 dat de NMR en de CGI s een samenwerkingsverband moesten oprichten om het draagvlak met een gezamenlijk gedragen omroep onder de moslimgemeenschap te verbreden.

Mislukte besprekingen daarover gaven het licht aan de door het CMO aangestuurde Nederlandse Islamitische Omroep (NIO), die direct zendtijd aanvroeg. De NIO wilde ‘een weerspiegeling creëren van de verschillende culturele en religieuze stromingen binnen de islamitische gemeenschap’. Naast religieuze vraagstukken moest er volgens de NIO ook aandacht zijn voor maatschappelijke vraagstukken, omdat de islamitische gemeenschap ‘op een aantal gebieden een maatschappelijke achterstand heeft’.

Opsplitsen zendtijd
Tegen zijn principiële grondhouding in besloot het CvM de zendtijd toch (eerlijk) over de aanvragers te verdelen. In eerste instantie leek het commissariaat - officieel omwille van de efficiency van het omroepbedrijf - vrede te hebben met deze oplossing. Verschillende gangen van de NMO naar de rechter brachten echter verandering in die situatie; het bleek niet mogelijk om zendtijd voor één (hoofd)stroming aan meerdere partijen toe te wijzen.

Om de impasse te doorbreken speelde het CvM nog een keer de kaart van de mediawettelijke bepaling over vertegenwoordiging van de substromingen uit. Onder die druk werd in september 2007 door het CMO en de NMR alsnog de Stichting Verzorging Islamitische Zendtijd (SVIZ) opgericht. Deze stichting kreeg de zendtijd voor de islam in Nederland toegekend voor de periode tot 1 september 2010. De nieuwe stichting moest de zendtijd verdelen over de NMO en de NIO. Samen mochten zij 56 uur televisie en 195 uur radio gaan vullen. Zij werden verantwoordelijk voor hun eigen programma’s, maar er kwam wel één zakelijk directeur.

Vanaf het begin was echter duidelijk dat het in ‘het afgedwongen huwelijk’ om de meest uiteenlopende inhoudelijke, financiële en invloedtechnische redenen niet bepaald boterde tussen de bloedgroepen. Gevolg: een aaneenschakeling van conflicten, interim besturen en slechte pers. De aanhoudende bestuursproblemen deden de programmaleiders van zowel NMO als NIO besluiten in het najaar van 2009 aan te geven dat de stekker er een jaar later zou worden uitgetrokken. Op hetzelfde moment gaven beide onroepen te kennen geen aanvraag te doen voor de invulling van de zendtijd voor moslims die vanaf 1 september 2010 weer vrij zou komen.

Procedurele beslommeringen
Zoals verwacht stonden er genoeg gegadigden in de rij. In het najaar van 2009 dienden vijf organisaties bij het CvdM een aanvraag in voor de 2.42 zendtijd (zendtijd voor een kerkgenootschap of een ander genootschap met een geestelijke grondslag), ‘hoofdstroming Islam’ voor de periode 2010-2015. De twee grootste daarvan waren de Stichting Moslim Omroep (SMO) en de Samenwerkende Moslim Organisaties Nederland (SMON). Eén van de drie kleinere organisaties, de Stichting Academica Islamica (SAI) die zich vooral richtte op (programmering voor) moslimjongeren, sloot zich in november bij de aanvraag van de SMON aan.

Eind december 2009 werd door het CvdM de zendtijd aangewezen aan de SMON. Het CvdM oordeelde dat SMO en SMON beide voldeden aan de ‘mediawettelijke representativiteiteis’, maar dat het organisatiemodel van de SMO, waar de achterban rechtstreeks invloed zou kunnen uitoefenen op de werkvloer, van de criteria afweek. Ook vond het CvdM dat de deelname van jongeren vanwege de steun van SAI aan de aanvraag van de SMON beter was gegarandeerd.

In de zomer van 2010 ontstond een conflict binnen het omroepbedrijf van de SMON omdat SAI het niet eens was met het benoemingsbeleid bij de omroep in opbouw. Dit leidde ertoe dat de SAI de aanvraag van de SMON niet langer ondersteunde. Medio augustus besloot het CvdM daarop de zendtijd die per 1 september 2010 had moeten ingaan vanwege ‘gebrek aan representativiteit’ in te trekken. De zendtijd werd door het CvdM overgedragen aan de NPO die vervolgens de NTR verzocht om de zendtijd te verzorgen.

Na een onvruchtbare poging van de SMON om het besluit aan te vechten, gaf het CvdM in het najaar van 2010 toch aan de aanvragen van 2009 opnieuw te willen beoordelen. Eind 2010 sloot de SMON een samenwerkingsconvenant met de IKON en de Stichting Verzorging Kerkelijke Zendtijd (VKZ) om na hernieuwde aanwijzing nauw te gaan samenwerken en in de loop van 2012 een fusie aan te gaan. Tegelijkertijd voegde één van de andere aanvragers uit 2009 - die shi’itische organisaties vertegenwoordigd - zich bij de SMON.

Enkele maanden later besloot het CvdM om de zendtijd definitief niet toe te wijzen. In juli 2011 werd dit besluit door de Raad van State (RvS) vernietigd. De RvS stelde dat SMO en SMON allebei representatief waren en dat het CvdM een nieuw, goed gefundeerd besluit moest nemen waarbij gekozen zou worden tussen SMO en SMON, omdat was gebleken dat samenwerking tussen SMO en SMON niet mogelijk was. De RvS herinnerde het CvdM er in dezelfde uitspraak aan dat het commissariaat zelf bij herhaling had gesteld het onwenselijk te vinden dat moslims niet vertegenwoordigd zouden zijn in het publieke bestel.

Mediator
Om de zaak vlot te trekken kwam het CvdM in november 2011 met het voorstel een mediator aan te stellen. Een geslaagde bemiddelingspoging leidde in mei 2012 tot de gezamenlijke zendtijdaanvraag namens SMON en SMO door de nieuwe Stichting Zendtijd Moslims (SZM). Het gepresenteerde bestuursmodel is gebaseerd op het model van de andere 2.42 omroepen en voldoet aan de gestelde eisen. De aanvragers staan op afstand van de werkvloer door middel van een aparte omroepstichting met een eigen Raad van Toezicht. Binnen het omroepbedrijf bestaat een scheiding tussen toezicht en management.

Uiteindelijk lukte het de SZM zelfs nog tijdig aan te geven bij welke oproep ze zich zou gaan aansluiten na de wijziging van de Mediawet (pas vanaf 2016) en hoe de administratieve organisatie dan geregeld zou worden. Op 18 september informeerde de NTR in een (enthousiaste!) brief het CvM dat die zaken in goed onderling overleg geregeld waren. De uitzendlicentie kon de SZM - nu aan alle wettelijke en procedurele voorwaarden was voldaan - naar eigen zeggen niet meer ontgaan. Toch stelde het CvM het besluit over toekenning van de zendtijd op 19 september tot nader order uit. Waarom? Andere dan (media)wettelijke en formele argumenten lijken in dit proces een rol te spelen. Daarover snel meer in deel twee.

Roemer van Oordt is redacteur van Republiek Allochtonië

Meer over moslimzendtijd:

Volg Republiek Allochtonië op twitter of like onze facebookpagina. Bezoekt u dit blog geregeld? Waardeert u ons werk? U kunt het laten blijken door ons te steunen.

 

 

 


Meer over commissariaat voor de media, islamitische omroep, media, moslimomroep, nio, nmo, roemer van oordt, szm.

Delen:

Reageer




Reacties


Johan - 01/10/2012 17:38

Als ik in Trouw lees dat o.a. Milli Görüs, de alevitische federatie Hak Der en de Raad voor Marokkaanse Moskeeën Nederland uit SZM zijn gestapt vertegenwoordigen de SZM geenszins nog het gehele spectrum van moslims in Nederland. Ik verwacht ook helemaal niet dat de mensen van Diyanet zich geroepen voelen om daarnaast b.v. de Sjiieten, Ahmadi's en andere subgroepen (vooral de meer liberale moslims) te willen vertegenwoordigen of te betrekken in de invulling van zendtijd.