Slavernij, ´Brandmerk´ in de Joodse geschiedenis

In opinie door Lody van de Kamp op 06-07-2013 | 13:13

Tekst: Lody van de Kamp

“ Slaven waren wij, voor Farao in Egypte. Als de Eeuwige, onze G´d, onze voorouders toen niet had uitgevoerd, dan zouden wij, onze kinderen en onze kleinkinderen nog steeds voor deze Farao in Egypte tot slaven zijn”. Ieder jaar opnieuw, tijdens het Pesachfeest brengen wij met deze woorden de slavernij van het Joodse volk in herinnering.

Maar dit doen we niet alleen één keer per jaar. Nee, iedere dag, tijdens de dagelijkse gebedsdienst heeft de Jood de verplichting om melding te maken van die bevrijding door Zijn sterke Hand en zijn Uitgestrekte Arm……………

De geschiedenis van de slavernij is de Jood altijd bijgebleven. Zoals de slaaf het brandmerk voor altijd in het lichaam blijft dragen zo blijft het ´brandmerk´ van de Egyptische slavernij onuitwisbaar gemarkeerd in de geschiedenis van het Joodse Volk.

Maar de geschiedenis heeft over de slavernij meer ter vertellen aan de Jood dan het verhaal in Egypte. Slavernij hebben wij immers niet alleen ervaren als de onderdanige partij. Net zoals onze medeburgers in de 17e, 18e en 19e eeuw hebben wij, de Joodse gemeenschap, ook ons aandeel gehad in het bedrijven van slavernij. De handelsgeest van die eeuwen heeft ons ook deelgenoot gemaakt aan de donkere praktijken in Afrika. Evenzo wij waren eigenaren van de plantages in Brazilië en Suriname. De invoer en uitvoer van die goederen die ons rijkdom verschaften beroofden de slaven van huis en haard, de ouders van hun kinderen, vrouwen van hun mannen.

Ook wij hebben ontheemden, voordat deze omkwamen van verdriet, ellende, uitputting en mishandeling, voor ons laten werken. Zoals wij ooit zelf eens die lijdende rol hebben moeten vervullen in Egypte.

Terwijl ik deze woorden opschrijf vertelt mijn kalender mij dat het de 17e dag van de Joodse Maand Tammoez is. Met deze ´vastendag´, de hele dag geen eten en geen drinken, leiden wij een periode in van droefheid. Over drie weken sluiten wij deze rouwperiode af. Het is dan de 9e dag van de maand Aw. Dat is de datum waarop ooit de stad Jeruzalem viel. De Tempel werd verwoest. De Joodse inwoners van het Heilige Land werden als ballingen, als slaven, van huis en haard weggevoerd.

Als slaven werden wij de diaspora ingevoerd. Om ons zelf, eeuwen later, ook schuldig te maken aan het wegvoeren van slaven en aan het uitbuiten van onze medemens.

De geschiedenis kunnen wij niet terugdraaien. De wonden van toen kunnen wij vandaag niet helen. Een ´schuld belijden´ van daden van vroegere generaties kent het Jodendom niet. Maar er zijn andere mogelijkheden. Het Jodendom kent andere verplichtingen. Om mij heel kom ik veel onbegrip tegen wanneer het Joodse aandeel van de slavernij ter sprake komt? ´Wij? Hebben wij daar ook aan meegedaan? Wij Joden zijn zelf toch altijd slachtoffers geweest?´

Het eerste wat wij zouden moeten doen is kennis te nemen van de geschiedenis. De geschiedenis van de Surinaamse en Antilliaanse gemeenschap in ons land aan de ene kant en de Joodse gemeenschap in Nederland aan de andere kant blijkt immers door die duistere slavernij op een voor de Jood schrikbarende manier met elkaar verbonden.

Tenminste zullen wij bij de nazaten van de slavernij aan tafel moeten schuiven om naar hun verhaal te luisteren, om deelachtig te worden van hun geschiedenis. Samen zullen wij moeten proberen om met die geschiedenis te leren leven. Samen, naast elkaar en niet tegenover elkaar. Deze keer, wij aan de kant van de daders.

Regelmatig kom ik ze tegen, jonge Duitsers, die in het reine proberen te komen met de misdaden van hun grootouders. Jonge Duitsers bezoeken die verschrikkelijke plaatsen in Polen om met eigen ogen te zien welke vreselijke misdaden hun voorouders daar hebben begaan. Tot tranen geroerd staan zij daar in volstrekte verwarring, om zich uit eindelijk te laten troosten door een jonge Israëliër die het gesprek met hen durft aan te gaan.

De geschiedenis kunnen wij niet terug draaien. Wel kunnen wij de nazaten van de slavernij tonen dat het Jodendom de Jood de kracht geeft om eerlijk en oprecht onder ogen te zien dat de slavernij onze geschiedenis als een brandmerk heeft bezoedeld.

Honderdvijftig jaar na de officiële afschaffing is daar de tijd voor gekomen…

Rabbijn Lody B. van de Kamp werkt momenteel aan een roman over slavernij in de Joodse geschiedschrijving. Kijk voor een overzicht van zijn uitgaven op de website van Boekencentrum Uitgevers. Dit artikel verscheen eerder op Theoblogie en is in overleg met de auteur ook op Republiek Allochtonië geplaatst. Meer van of over Lody van de Kamp op dit blog hier

Meer over slavernij op dit blog hier

Volg Republiek Allochtonië op twitter of like ons op facebook. Republiek Allochtonië (voorheen Allochtonenweblog) bestaat 7 jaar. Waardeert u ons werk? U kunt het laten blijken door ons te steunen.

 



Meer over joden, joods, lody van de kamp, slavernij.

Delen:

Reageer




Reacties


Bart Voorzanger - 22/07/2013 12:52

Een mooi stuk, wel zeker, maar met alle waardering die ik voor de heer Van de Kamp heb, ’t is tegelijkertijd een stuk waar je weinig meer mee kunt dan ’t mooi vinden. De Israëlieten die Mozes uit een Egyptische slavernij wegvoerde, hebben nooit bestaan; Mozes trouwens ook niet. En het verhaal van de joodse inwoners van het Heilige land die na de verwoesting van de tempel (in het jaar 70) als slaven werden weggevoerd is een sprookje. Die joodse Heiligelanders bleven daar gewoon wonen (en kwamen er in 132, onder leiding van Simon Bar Kochba, in opstand tegen de Romeinen, wat ze lastig hadden kunnen doen als ze 62 jaar eerder waren weggevoerd).
Het ‘Joodse Volk’ waarover Van de Kamp schrijft, is al 2000 jaar vooral een verzameling geloofsgemeenschappen van etnisch zeer diverse herkomst, en dus navenant weinig gemeenschappelijke geschiedenis. Van een ‘wij’ die zich eeuwen later zelf schuldig maakten aan het wegvoeren van slaven en het uitbuiten van ‘onze’ medemens, is dan ook al evenmin sprake. De kans dat de voorouders van Van de Kamp zich daar ooit aan bezondigden is te verwaarlozen.
Zeker, er waren joodse plantagehouders in Suriname, maar dat waren sefardische joden, en ’t ging om een gemeenschap van op zijn hoogtepunt enkele honderden mensen. Ze liggen, net als alle andere slavenhouders en slavenhandelaren al sinds lang op het kerkhof (dat van Jodensavanne, in dit specifieke geval).
Als de heer Van de Kamp zich wil inzetten voor het herstellen van groot onrecht en ernstig verstoorde verhouding, wat ik een lofwaardig streven vind, kan hij misschien beter eens kijken naar de situatie van de Palestijnen (deels, o ironie der geschiedenis, de nakomelingen van nooit uit het Heilige Land weggevoerde joden). Ook daar is hij niet verantwoordelijk voor, maar ’t gaat tenminste om onrecht dat mede in zijn naam wordt aangericht, wat toch in elk geval één reden is om je ertegen te keren.

arjan - 08/07/2013 11:36

Wat een mooi, moedig en integer stuk. Dank.

Henk Veldman - 07/07/2013 12:07

Hat grappige van de joodse slavernij is, dat Mozes ze met de hulp van de Heer de joden, zijn volk dus er weliswaar uit heeft gehaald, maar dat z'n voorouder Jozef, ze er in had gezet als "betaling" omdat nadat er hongersnood was en men aanvankelijk Jozef die talloze slaven en slavinnen had, eerst hun geld moesten inleveren en toen de honger bleef het vee, en daarna zichzelf.
Jozef verkocht toen die mensen aan de farao.
En Mozes was misschien een brave borst, maar voordat hij met z'n volk uit Egypte vertrok/vluchtte heeft hij dat volk eerst toegestaan om de Egyptische bevolking te plunderen vooral om de vrouwen met sieraden te kunnen behangen.

Abdel Kaolo - 07/07/2013 09:18

Heel mooi stuk dit. Dank u. Met u valt waarschijnlijk goed te praten. Het is moeilijk voor mij om "de jood" los te zien van onderdrukking. U bewijst dat ik niet te snel moet oordelen. Nogmaals bedankt.